skip to Main Content

Specialisme van voorkeur beïnvloedt werktevredenheid

Artsen die zijn opgeleid in het specialisme van hun eerste voorkeur, zijn meer tevreden over hun werk dan collega’s die er niet in slaagden de gewenste opleiding te volgen. Dat is de belangrijkste conclusie die arts/bedrijfskundige Lodewijk Schmit Jongbloed trekt in het onderzoek waarop hij onlangs promoveerde aan de Rijksuniversiteit Groningen.

UMCG-promovendus Schmit Jongbloed onderzocht hoe tevreden artsen zijn met de verschillende aspecten van hun werk en hoe hun tevredenheid zich heeft ontwikkeld in de periode 2000-2009. Doel van zijn onderzoek is meer inzicht te geven in de arbeidstevredenheid van artsen, de factoren die daarop van invloed zijn en de mogelijkheden om de arbeidstevredenheid te bevorderen.

Meer variatie in opleidingsvoorkeur nodig

Uit zijn onderzoek blijkt dat artsen die de specialisatieopleiding van hun eerste voorkeur volgden, meer tevreden zijn over wat ze professioneel hebben bereikt dan collega’s die daar niet in slaagden. Ook voelen ze meer waardering van ondersteunend personeel en patiënten. Eén op de vier basisartsen slaagt er niet in een plaats te bemachtigen in de vervolgopleiding van zijn eerste keuze. Een belangrijke oorzaak is de onevenredig grote belangstelling voor een beperkt aantal klinische specialismen. Volgens Schmit Jongbloed is het daarom wenselijk dat er meer variatie komt in de voorkeur van basisartsen voor hun vervolgopleiding. “Het verdient aanbeveling te onderzoeken of decentrale selectie kan worden ingezet voor het aantrekken van studenten met competenties die passen bij minder populaire specialismen. Eerder is dit succesvol gedaan bij de studie diergeneeskunde.”

Minder tevreden over grip, administratieve lasten en samenwerking management

Artsen zijn het minst tevreden over de grip op planning van het werk, administratieve lasten en de samenwerking met het management. Juist deze aspecten maken een steeds groter deel uit van hun werk. Schmit Jongbloed pleit daarom voor verder onderzoek te doen naar het overnemen van administratieve en organisatorische taken door ondersteunend personeel dat daar specifiek voor is opgeleid (medical scribes). “Hiermee zijn in de VS positieve ervaringen opgedaan. Daarnaast is het belangrijk dat artsen zich bekwamen in de organisatorische vaardigheden die bij hun werk horen om beter om te gaan met de toenemende complexiteit van de zorg. In de opleiding moet daar al aandacht aan worden besteed”, aldus Schmit Jongbloed.

Loopbaanfase en specialisatie

Uit het onderzoek blijkt verder dat de loopbaanfase van invloed is op de arbeidstevredenheid. Zo zijn artsen aan het eind van hun loopbaan vaker tevreden over de waardering van patiënten dan hun jongere collega’s. Over de waardering van ondersteunend personeel en hun inkomen zijn ze juist minder tevreden in vergelijking met artsen in begin/midden van hun loopbaan. Ook de specialisatie heeft invloed. Klinisch specialisten blijken bijvoorbeeld minder tevreden met de balans werk-privé dan huisartsen en artsen in andere functies. Dit hangt waarschijnlijk samen met het hogere aantal nacht- en weekenddiensten.

Parttimers vaker tevreden

Artsen geven aan dat parttime werken een positief effect heeft op hun tevredenheid over grip op de planning van het werk en de balans werk- privé. Die betere balans lijkt een belangrijke reden om te streven naar een werkweek van gemiddeld vier dagen. Anderzijds zorgt een kleinere functieomvang er wel voor dat artsen minder tevreden zijn over wat ze professioneel hebben bereikt. Dat verklaart meteen ook waarom vrouwelijke artsen, die vaker parttime werken, minder tevreden zijn over wat ze bereikt hebben.

Meer weten over het promotieonderzoek?

Bekijk dan het volledige nieuwsartikel op de website van het UMCG. Schmit Jongbloed maakte ook een podcast en video-opname.